Brief aan Remco Campert

https://www.apache.be/

Brief aan Remco Campert: vaarwel selfie, hallo discretie

https://www.apache.be/2022/08/06/brief-aan-remco-campert-vaarwel-selfie-hallo-discretie?fbclid=IwAR33oB19VeKuNLPrkYnuCX5vnUU8Ut51xFTad8A9WckcEnSGKutBD_ID8ok

6 augustus 2022 Katrien Scheir

Remco Campert overleden

R.I.P. Remco Campert (1929-2022). De auteur kreeg grote bekendheid met het boek Het leven is vurrukkulluk (1961), waarvoor hij onder meer de P.C. Hooft-prijs kreeg. (© Katrien Scheir)

Zelfingenomenheid is de trend. Aan blaaskaakmeningen, emoporno en pathetiek geen gebrek. Bescheidenheid en zachtaardigheid zijn daarentegen niet hip. Nochtans hebben deze tijden relativerende sprankelende ironie nodig. Met discretie als deugd, lichtvoetigheid als compagnon en satire die niet honds wordt. Doe daar ook wat verlegenheid bij. Geef ons ronduit rode wangen. En dat alles op z’n Remco’s.

Waarde Heer Campert,

U bent nog maar net overleden – een jonkie in het dodenrijk – en ik schrijf u al. 

“Het leven is dodelijk”, zei u eens, alleen had u er tot nog toe niets van gemerkt. En nu u dood bent, weet u het vast ook niet meer.

Uw vader is vroeg gestorven. In een gedicht vertelt u over het moment dat jullie vernamen van zijn dood. De rode ogen van uw moeder. U als kind tegen haar aan, voelend dat u iets moest voelen maar u had het als jongetje nog druk met het plan voor een boomhut. Daarna voelde u wat niet meer overging. Het was geen natuurlijke dood, uw vader werd vermoord in een concentratiekamp omdat hij joden probeerde redden. Later verbleef u in een ander gezin omdat uw moeder, een actrice, moest spelen. U suggereerde weleens dat uw verlegenheid mogelijk ontstond omdat u geen hechte familie kende en vaak een buitenstaander was. 

Nam u de verlegenheid mee met uw dood? In deze tijd hadden ze u vast onderzocht. Niets mis met de evolutie van de geestelijke cartografen maar soms is het mijn indruk dat de zeldzamen die nog verlegen aan de kant dromen en observeren, nu snel een etiket krijgen opgekleefd. School ervoer u als een gevangenis maar u kon ontsnappen. De woorden bevrijdden u. U noemde zichzelf alleen en toch nabij. Een open cocon. Het was geen stoornis maar poëzie. U kende de woorden nog.

‘Er wordt veel gestapeld en gepocht, Heer Campert. Tegen verlegenheid bestaan er zelfhulpgroepen. Cursussen gezond egoïsme. Nooit meer rood worden. Iedereen snoeft en overtreft elkaar’

Hoe worden woorden in tijden van ontlezing onderwezen? Misschien wordt u gebruikt in een test begrijpend lezen: 

“Wat zou die Campert toch bedoelen met vurrukkulluk?” Kies het juiste vakje. 

“Met hoeveel k’s spel je voorgaande woord?”

IJverig schetteren de juffen. Scholieren krassen bevelen op geruit papier. U staat vermeld in een voetnoot van het schoolprogramma waaruit u zelf ontsnapte. Maar zouden uw relativerende stukjes over antihelden, uw hilarische beschrijvingen over het niet slagen in bepaalde sportactiviteiten niet bevrijdend kunnen werken onder jongeren die punten geven aan elkaars selfies? Nu krijgen ze boekjes op maat van hun doelgroep met de juiste onderwerpen en de juiste saaie personages.

“De mensen zouden een beetje uit hun somberheid moeten zien te komen”, merkte u aardig op. Wellnessboeken verkopen allicht beter dan uw werk. Uw troostende kracht, uw optimisme is van een andere soort dan de methodes positief denken, recepten om het geluk op te kloppen en powertraining voor het ego. Ik denk soms dat mensen meer zouden opknappen van uw ontroerende mensendingen dan van de riedeltjes door goeroes in een roze trainingsbroek. 

‘U noemde uw werk geen loopbaan maar een liefdesaffaire, schrijven geen vluchtroute maar een wandelroute’

Er wordt veel gestapeld en gepocht, Heer Campert. Tegen verlegenheid bestaan er zelfhulpgroepen. Cursussen gezond egoïsme. Nooit meer rood worden. Iedereen snoeft en overtreft elkaar. Al die drukke hoofden, al die geconstipeerde grimassen en iedereen uiteindelijk suf. Zelfs schrijvers breien statussen vol over zichzelf, posten vaker selfies dan een verlegen zin. Weinigen vertellen nog met een fonkelende monkellach over hun tocht op glad ijs en het gevecht tegen de zwaartekracht van het leven. Weinigen durven dromen en observeren aan de kant. Je moet in het middelpunt staan.

Zelfingenomenheid is de trend, emoporno en pathetiek, berekening. Bescheidenheid en zachtaardigheid zijn niet hip. Was u de laatste romantische aarzelaar die schroomvallig schuifelde tot aan de klank die u bedoelde? U noemde uw werk geen loopbaan maar een liefdesaffaire, schrijven geen vluchtroute maar een wandelroute. 

Ik mis belevenissen van aanminnige antihelden. Blaaskaakmeningen zijn er genoeg. Krachtpatsers met pronkpijlen waarop ‘top’ staat. 

U hield niet van polemiseren. Met meningen schrijf je geen goed gedicht. U vond het genoeg te constateren. Uw geest maakte contrapuntische bewegingen, fonkelde.

“Is de dood de onmetelijke ruimte of het klein beperk van een kist?”, vroeg u zich later af. U zei stellig nee tegen het laatste. U bent ontsnapt uit school en kist en werd opgenomen door de sterren in hun nachtelijke pracht. ‘Remco gaat nooit dood,’ zei Lucebert, hij had gelijk.

“Maar de dood”, schreef u elders, met die speciale ‘maar’ van u, “de dood is slechts de stilte in de zaal nadat het laatste woord geklonken heeft. De dood is een ontroering.”

‘U schipperde tussen poëzie en protest. U bleef kijken. Voor het deugdpronken stond u te weinig in het midden, was u te discreet’

Deze brief schrijf ik in een stille zaal die ik maakte met uw woorden. In een door ego’s volgebouwde wereld is uw werk ruimte en stilte. Bevrijding van het gezwollen spreken en raspen van hoge kelen.

U had al wat geregeld op een begraafplaats, gezellig met vrouw en vrienden bij elkaar. Bij het bezoek aan uw eigen graf vertelde u: “Het was een mooie, zonnige dag, het graf lag er goed bij. Ik kreeg er bijna zin in.”

Zo heeft u steeds het leven en de dood met uzelf en de tijd daartussen gerelativeerd. 

Het is die relativerende sprankelende ironie die deze tijd nodig heeft. Een lichtvoetigheid die niet oppervlakkig is. Satire die niet honds wordt. Uw taal was verraderlijk toegankelijk, spreektaal zonder populisme. Ze boette nooit in aan stijl en eruditie.

U bent nu “de spiegeling van het zonlicht in het water in de gracht die wordt meegenomen met de glimlach en de dromen van het meisje dat u eens op een tramhalte zag”.

U schreef: “Als ik doodga, hoop ik dat je er bij bent, dat ik je hand nog voelen kan. Dan zou het rustig zijn, dan zou niemand verdrietig zijn.” In uw gedichten werd de dood prozaïsch en gewoon.

‘U was zich bewust van het loos gebral dat poëzie kon worden die in comfort wordt geschreven terwijl de wereld lijdt’

U rookte tot uw 92ste, de rookkringen leken wel jazzlijnen van een saxofoon. Ze kringelden sierlijk rond uw zacht orakelende wezen. Misschien missen we jazz en rooksignalen. Nu schetteren we met machientjes door elkaar, langs elkaar, zonder pauze. U schreef gedichten met de hand of u tikte. Uw vrouw hoorde u soms tikken als uw eigen tijd. “De tijd duurt één mens.”

Ik hoor vaak enkel nog klikken.

Uw bescheidenheid was een verademing in de almaar schreeuwerige wereld. Uw woorden dansten daar tussen als vlekjes licht. Uw schreef uw leven met de hand. In het gedicht bevestigde u dat u leefde, dat u niet alleen leefde. U zette zichzelf steeds tegenover een groter geheel met uw observerende zachte pretogen. 

Op 28 juli 1929 zag u het levenslicht. Jaren later vatten uw woorden licht. Daarna kleurde u er een tijdperk mee dat nu steeds meer zwart/wit wordt. L’art pour l’art was voor u geen tegenpool van engagement. U zocht naar een combinatie tussen wat de wereld beweegt en wat uzelf bewoog en dat probeerde u samen te smeden. Dat is moeilijk maar u probeerde het tenminste nog. “Verzet begint niet met grote woorden maar met kleine daden”, schreef de zoon wiens vader vermoord werd omdat hij in het verzet zat.

U was zich ook bewust van het loos gebral dat poëzie kon worden die in comfort wordt geschreven terwijl de wereld lijdt. “Ik zag een jongetje zitten, verwezen op een stoeltje, bedekt met bloed, en asgrauw puinstof, onder een huis weggehaald, met bommen bestookt.” U zei dat dit gedicht niet hielp maar dat het tenminste genoteerd werd. U schipperde tussen poëzie en protest. U bleef kijken. Voor het deugdpronken stond u te weinig in het midden, was u te discreet. U durfde aan de kant gaan staan en gedichten redden als verzet. 

Dank.

Tijdgenoten, Brief, poëzie, Remco Campert, Katrien Scheir, literatuur

Over Katrien Scheir

Katrien Scheir (1978) creëerde theaterstukken (tekst, regie, decor-en kostuumconcept). Ze maakte poppen, affiches, kostuums, decors. Ze werkte filosofische workshops uit, taalprojecten voor vluchtelingen, muzische lessen, kunst- en cultuurlessen. Nu schrijft ze verhalen, stukjes, columns, blogs, gedichten, liedjes, dagboeken, zeer dringende to do- lijstjes. Tijdens de appeloogst van september 2021 komt haar debuutroman uit: DE MAN VAN HET LICHT, UITGEVERIJ OEVERS Ze schildert ook (olieverf en aquarel) en maakt illustraties en cartoons, o.a. voor Apache.be Ze geeft les en workshops. Op dit moment werkt ze aan een nieuw boek en een kinderboek met illustraties, een reeks schilderijen, de opvoeding van haar zoontje en een kruidentuin.
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

2 reacties op Brief aan Remco Campert

  1. Pingback: Het blauwe uur (vangst #80) – Aanlegplaats

  2. Ik dank u voor ‘dit knipperend ogenblik’.

    Als u zo’n paternoster vol wilde schrijven, dan zou ik weer kunnen genieten van taal.
    Het mag zelfs een rozenkrans worden.

    En ik zou terug kunnen ‘lezen’. In mijn Kempische taal.
    Bidden en lezen, dat is daar hetzelfde.

    Met sombere dank. Ik hoor nu een kuchend lachje van de Meester.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s