Fragment

Ontkenning vreet aan je, dacht Jelena, al leidt triomf vast evenveel af als een flop. Schrijven is ook een levenswijze. Gedachten voelen, de regen ruiken en zijn geur vangen op papier.
Jelena zat aan de werktafel en dacht aan iemand die binnenkort haar verhaal zou lezen. Even leek zij samen te vallen met haar bestaan. Ze voelde dat ze ook bestond zonder publiek. Er scheen licht op haar verhaal. Het licht uit een deurkier, een smalle strook. Ze haalde een stapeltje papier uit haar tas en krabbelde er met potlood in.

uit ‘De man van het licht’

debuutroman van Katrien Scheir

verschijnt bij uitgeverij Oevers in het najaar 2021

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Illustratie

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Aquarel

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Mijn debuutroman ‘De man van het licht’ verschijnt in het najaar van 2021 bij Uitgeverij Oevers

Winteruur – Aflevering 25 (Seizoen 6) | VRT NU

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Stukje tekst uit debuutroman op teevee

Er komt een stukje tekst van mij op teevee.

Uit mijn debuutroman:

DE MAN VAN HET LICHT’
Uitgeverij OEVERS, najaar 2021.

De tekst is wel bang om z’n tekst te vergeten, plankenkoorts, je kent dat wel…

Maar in goede handen van VEERLE BAETENS

WINTERUUR en WIM HELSEN
dinsdag 15 december
op Canvas, na De Ideale Wereld
http://www.vrt.be

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Wereldlichtjesdag

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Bij het proces Mawda

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

aquarel

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Boekje schrijven

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De stilte genaamd Peter


Waarom krijgen stormen namen? Harvey, Ellen, Dennis… Vragen de stiltes daar om? “Noem mij,” fluisteren zij door het gebulder, vanuit het oog van de storm. “Noem mij, bevestig ons bestaan.“ Mogen de stiltes ook een naam? Bekende stiltes kregen soms een tijd, van 1 minuut tot 4 minuten en 33 seconden. Als de klok maar niet te hard tikt en hen opjaagt tot ze weer verdwijnen.
De Stilte vandaag heet Peter. Peter, naar mijn nonkel.
Al meer dan twintig jaar zwijgt mijn nonkel Peter, al meer dan twintig jaar is mijn nonkel Peter dood. Maar ook toen hij leefde, was hij eerder onopvallend en discreet. Zeldzaam in een wereld van opdringerige schreeuwers en blinde stormen. Hij was toeverlaat en achtergrond, het achterplan dat diepte geeft. Peter Antonissen, Pierke voor de vrienden.
Vandaag, 19 september, is het zijn geboortedag. Ik vier liever geboortedagen, al lijken sommige mensen al bijna verzonnen na jaren dood zijn, ik vier de dagen dat ze het licht zagen en dat iedereen nog verwonderd was om hun bestaan. Ik eer de stilte en de zachtheid waarmee mijn oom een stukje van de wereld heeft bedekt.
Hij was een andere nonkel dan Mon Oncle van Tati maar ook een ‘Mon Oncle’. Hij was ook ‘Een Wonderlijke Oom’ zoals in het mooie boek van Yvonne Jagtenberg voor kinderen tot 107. Mijn familieleden woonden in andere moderne huizen, hadden andere rare streken en andere fonteinen. Ze haalden anders hun neus op voor ‘Mon Oncle’. Maar ook mijn nonkel Peter was een uitzondering, vreemde eend en soms zwart schaap. De gek.
Hij speelde gitaar en droeg een Lennon-brilletje. Hij woonde in Borgerhout, in een huis met een kraaktrap en een plansjee. In zijn straat woonden Portugezen, Chinezen, Marokkanen, Palestijnen, Joden, Congolezen, Bosniërs, Bolivianen,… de hele wereld woonde bij hem. Hij snapte een stukje van de relativiteitstheorie en de kwantummechanica. Hielp mij bij integralen en horizontale asymptoten. Vertaalde Horatius ter plekke. En Vergilius, hij had diens tuin gekend. Hij maakte meubels en lampen. Terwijl de familie vegeteerde in kantoren en daarmee hypotheken afsloot en huizen en auto’s kocht, trok Nonkel Peter op blote voeten door de woestijn, leefde hij in een kibboets en brak hij zich het hoofd over het Midden-Oosten en de milieuvervuiling. Ik herinner me zijn laatste verjaardag. Een feest in Borgerhout. Er waren ballonnen en daklozen, een vriend speelde viool. Ballonnen knalden soms en daklozen mankeerden tanden en lachten vaak te hard. Ze aten alles op. Een tante met een frutselrok en rouge op de wangen kleefde tegen de muur en schaamde zich hardop.
Niet lang daarna was Mijn Wonderlijke Oom vermist. Ze hadden het pas laat in de gaten. De politie vond zijn lichaam. In het stof op een stoel in zijn kamer stonden twee voetafdrukken.
Hoe doe je dat? Je gaat naar de touwenwinkel en vraagt een stukje touw in je maat.
Er zijn twee soorten zelfmoordenaars, beweerde Levi Weemoedt. Hij was van een andere soort dan Joost Zwagerman en overleefde zijn wanhoopsdaad. Zwagerman was de doorwinterde zelfmoordenaar, een zelfmoordfilosoof. Er bestaan ook verschillende woorden voor: ‘zelfmoord’ is anders dan ‘zelfdoding’, dat meer over een vlaag zou gaan. En er waren de stoïcijnen die rustig konden zeggen: zo is het wel genoeg.
Peter liet een dagboek na, maar hij schreef te weinig om in Jeroen Brouwers’ zelfmoordstudie te mogen wonen.
Mijn wonderlijke oom, intellectueel en grote gever, ambachtsman die alles zelf deed, tot slot ook zijn eigen dood. Zijn zus, mijn moeder, implodeerde. De kleinburgerlijke chefs van de familie maakten er zich snel van af. Ruilden ongemakkelijk verdriet meteen voor een conclusie met een zekerheid zo sterk als een hek: Peter was altijd al een beetje zwak, puin bij hem vanbinnen en een kraaktrap, bovendien trok hij zich de oorlog en de milieuvervuiling veel te hard aan.
Dat hij liefde miste, daar kwekten ze niet over op hun voorgrond. Dat de zwaartekracht soms te zwaar kan zijn om alleen te dragen, daar stonden ze niet bij stil. Bij Peter, de stilte, stonden ze niet stil. Sommige familieleden, die met de progressieve kleren en meubelen, waren boos dat hij hen zoveel leed had berokkend. Maar nooit zag ik hem kattig of vals of hard als staal. Nooit maakte hij ruzie, niet over bezit, niet over aandacht.
“In Van Goghs schilderijen vind je geen spoken, geen visioenen, geen hallucinaties. Wat je ziet is de verzengende waarheid van de zon om twee uur ’s middags,” schrijft Antonin Artaud in ‘Van Gogh, de zelfmoordenaar van de maatschappij.’ Peter was altijd licht.
Geen doodsbrief voor mijn nonkel Peter. Hij zou daar toch niet aan gehecht zijn, zeiden ze. Plots wilde ik voor Peter de strakste conventies, alleen maar om hem erbij te laten horen, om hem op te nemen in de kring, al was hij er al uit. Een late omhelzing in een officiële brief, een bevestiging van zijn bestaan met de stempel van een pennenlikker.
In het crematorium vlogen familiechefs elkaar in de armen en snikten luidruchtig. Nonkel Peters potje met nog wat Nonkel Peter in verdween weer op de achtergrond. Vandaag zijn ze hem al lang vergeten. Maar soms zal de stilte vreemd tegen hen aan schurken. De Stilte die ik Peter noem.
Op de dienst sprak een vriend van nonkel Peter zachte woorden en speelde daarna viool. Zachte woorden, viool en vriend verdwenen. Peters wereld verdween, het licht werd opgeslokt door zijn dood.
Tijdens de koffie werden de boeken van Peter verdeeld als op een vlooienmarkt. Familieleden die zelden met hem hadden gesproken, zijn verhalen en reizen en gedachten niet kenden, grabbelden nu in zijn bibliotheek in kartonnen dozen. “Tast toe,” hikten ze alweer vrolijk en ze sleurden stapels naar de tafel en daar bladerden ze gulzig en peuzelden intussen croissants en er vielen kruimels tussen de boeken. Ik keek bedremmeld naar mijn schoenen, de koffie lag op mijn maag. Ik kon er niks bijnemen met mijn verdriet.
Jaren gingen voorbij. We zwegen maar de stilte klonk niet zuiver en het verdriet sijpelde naar beneden, werd moeras in plek van vruchtbare regen. Soms gleed ik uit, dan gooide ik het er onverwacht en onverwerkt uit. Uitverkoop van de binnenwereld, pathetiek. In deze transparante, rechtstreekse tijd weer hip, maar ik voelde me daarna meestal uitgekleed. Waargebeurde drab. Geen verdriet en vreugde die nog rijpen op eiken vaten. Ik had het recht om in de onderwereld te kruipen, als Persephone. Het kan niet altijd lente zijn. Maar de winters bleven. Peters dood bleef sterker dan zijn leven. De tragiek miste veren om uit te vliegen, om te schrijven. Ik wil de stilte niet aan de grote klok hangen maar ik wil Peter ook niet verzwijgen.
Aan mijn moeders sterfbed gebeurde er iets vreemds.
Op het nachtkastje stond nonkel Peters foto, naast een cd-speler en een vaasje vergeet-me-nietjes. Tenslotte was nonkel Peter mijn moeders kleine lieve broertje, ze hadden altijd een bijzondere band. De verpleegster kwam binnen. We knikten naar elkaar, kenden elkaar nog van in de theaterwereld. Daar was ze ruimtelijk kunstenares geweest maar nadien werd ze palliatieve verpleegster. Ze werkte in verschillende dimensies aan kunstwerken en het leven. Nu kwam ze mijn stervende moeder balsemen met rozenolie. Haar handen bewogen zacht bij mijn moeders slotscene. Het beeld van mijn moeder was bijna klaar. Toen zag de verpleegster de foto van nonkel Peter op het nachtkastje staan. “Dat is Peter,” zei ze, ze sprak zijn naam zacht uit. “Peter Antonissen. Hij was getuige op mijn huwelijk.”
Het verdriet in mijn handen werd plots lichter zodat ik eindelijk Peters boeken kon dragen. Zijn dood werd opgelost en mijn moeder hoefde niet te vrezen voor de hare, hij had het haar al voorgedaan. Nonkel Peter werd lente, kwam tot leven, 20 jaar naar zijn dood. Aan de vooravond van mijn moeders dood had iemand hem herkend. Een dag later werd mijn moeders beeld afgedekt. Er klonk een vioolsonate.
La réalité dépasse la fiction. Ik zou in een zware God kunnen geloven die dit scenario uit de losse pols heeft geschud. Titel: ‘God en klein Pierke.’ Ik wil de realiteit niet instrumentaliseren voor een opstelletje. Het is de verwondering, de schoonheid van vreugde en verdriet die elkaar even wisten te raken.
Toeval bestaat, dat besef maakt bescheiden. Toeval bestaat net zoals nonkel Peter bestaat. Net zoals fictie bestaat.
De storm was voorbij, de stilte kreeg een naam. Peter, zwijgende rots.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen